Medische termen

Acuut
De periode onmiddellijk na infectie met het hepatitis C-virus. De acute fase van de infectie wordt gedefinieerd als het punt waarop mensen de eerste symptomen van hepatitis C of antilichamen ertegen ontwikkelen na hun eerste blootstelling aan het virus.

ALAT
Alanine-aminotransferase (ALAT) is een enzym (transaminase) dat vrijkomt uit de lever als deze beschadigd wordt. De concentratie van ALAT in het bloed fluctueert geregeld met een normale leverfunctie, maar een zeer sterke stijging in deze concentratie kan wijzen op leverletsel of ontsteking. ALAT wordt getest op bloed dat wordt afgenomen bij de patiënten.

Anemie
Een tekort aan rode bloedcellen. Meer specifiek is anemie een tekort aan een eiwit met de naam hemoglobine, dat in de rode bloedcellen aangetroffen wordt en zuurstof meedraagt in het lichaam. 

Anestheticum (lokaal)
Een geneesmiddel dat een specifiek deel van het lichaam verdooft zonder bewustzijnsverlies. 

Antilichamen of antistoffen
Eiwitten van het immuunsysteem. Uw lichaam maakt deze aan als onderdeel van de afweer tegen infectie. Ze helpen bij de vernietiging van ‘vreemde’ moleculen, zoals die van het hepatitis C-virus.  

Ascites
Een vochtophoping in de buikholte. Bij hepatitis C ontwikkelen patiënten ascites als gevolg van cirrose, waardoor de druk rond de lever stijgt.

ASAT
Aspartaat-aminotransferase (ASAT) is een enzym (transaminase) dat vrijkomt uit de lever als deze beschadigd wordt. Behalve in de lever is ASAT ook aanwezig op andere plaatsen in het lichaam, en het is dus minder specifiek voor leverschade dan het andere transaminase-enzym, ALAT. De concentratie van ASAT in het bloed fluctueert geregeld met een normale leverfunctie, maar een zeer sterke stijging in deze concentratie kan wijzen op leverletsel of ontsteking. ASAT wordt getest op bloed dat wordt afgenomen bij de patiënten.

Asymptomatisch
Een patiënt die is geïnfecteerd met een aandoening, maar geen tekenen of symptomen ervan vertoont. 

Bijwerkingen
Problemen die ontstaan bij de inname van geneesmiddelen. 

Biopsie
Een invasief proces waarbij een klein stukje weefsel van een orgaan wordt afgenomen voor onderzoek onder een microscoop. Het weefsel wordt beoordeeld op het uiterlijk en gegradeerd naar niveau van de aandoening. In geval van hepatitis C worden biopten gebruikt om het niveau van fibrose of cirrose in de lever te bepalen. 

Door bloed overdraagbaar
Besmettelijke organismen in het bloed.

Bloedtransfusie
Het proces waarbij bloed van een donor gebruikt wordt om direct het niveau van rode bloedcellen bij een ontvanger aan te vullen.

Chronisch 
Die lang aanhoudt. In het geval van hepatitis C wordt ervan uitgegaan dat patiënten een chronische infectie hebben als ze meer dan zes opeenvolgende maanden geïnfecteerd zijn.

Cirrose
De vervanging van het normale leverweefsel met verhard littekenweefsel als gevolg van progressieve aandoening. Deze veranderingen kunnen een structurele verandering van de lever veroorzaken, zodat de normale werking teloorgaat. 

Combinatietherapie
Gebruik van meer dan één type geneesmiddel tegelijk om een gecombineerd resultaat te bereiken. Momenteel is de optimale behandeling voor hepatitis C combinatietherapie met gepegyleerd interferon en ribavirine. 

Doorbraak
Het opnieuw optreden van detecteerbare virusaantallen in het bloed na een aanvankelijke positieve respons tijdens de behandeling. Doorbraak treedt op als behandelingsresistente vormen van het virus dominant worden tijdens een infectie.

Elastografie
Een niet-invasieve techniek die gebruikt wordt voor de evaluatie van de mate van fibrose of cirrose in de lever. De techniek meet de stijfheid van de lever, die verband kan houden met de graad van fibrose.

Fibrose
Ontwikkeling van littekenweefsel als gevolg van weefselletsel of ontsteking. Littekenweefsel uit zich in de vorm van vezelig weefsel dat geproduceerd wordt als onderdeel van een ongecontroleerd genezingsproces. Bij leverfibrose kan dit overtollige weefsel soms de doorbloeding van het orgaan verstoren.

Fibrosemerkers
Een niet-invasieve test om fibrose te meten op basis van detectie van bepaalde moleculen in het bloed.

Geelzucht
Gele verkleuring van de huid en het oogwit. 

Genotype
Veel hepatitis C-virussen hebben verschillen in hun genetische sequentie, maar over het algemeen kan elke sequentie gegroepeerd worden in één van zes hoofdtypes, die genotypes genoemd worden.

Gepegyleerd interferon
Kunstmatig geproduceerde interferonen met toegevoegde synthetische polymeren. Dit helpt het geneesmiddel om langer in het lichaam te blijven en langduriger werkzaam te zijn.

Hemodialyse
Een procedure om kunstmatig afvalproducten van het metabolisme of toxische stoffen uit het bloed te verwijderen als de normale nierfunctie het laat afweten.

Hemofilie of bloederziekte
Bloedstollingsstoornis die hevige bloedingen kan veroorzaken. Mensen met hemofilie of bloederziekte moeten vaak stollingsfactoren krijgen uit het bloed van donors. Hierbij kunnen via het bloed overdraagbare infecties, zoals hepatitis C, worden doorgegeven als er niet correct gescreend wordt.

Hemorragie
Bloedverlies of bloeding

Hepatitis
Een leverontsteking (‘-itis’ betekent ontsteking in Oud-grieks, en ‘hepa’ verwijst naar de lever).

Hepatitis C-virus (HCV)
De besmettelijke oorzaak van hepatitis C. Het virus was vroeger bekend als niet-A niet-B hepatitis en wordt verspreid door direct contact met geïnfecteerd bloed.

Hepatocellulair carcinoom (HCC)
Een primaire maligniteit (kanker) van de lever. Soms ook hepatoom genoemd.

Humaan immunodeficiëntievirus (hiv)
Een virus dat op de duur ernstige deficiëntie van het menselijke immuunsysteem veroorzaakt en de oorzaak van verworven immunodeficiëntiesyndroom (aids).

Interferon
Eiwit ‘boodschappermoleculen’ (cytokinen) van het immuunsysteem die geproduceerd worden om te verhinderen dat virussen zich vermenigvuldigen, en om een immuunreactie te stimuleren tegen ‘vreemde’ moleculen, zoals virussen – een antivirale reactie. Farmaceutische bedrijven kunnen nu kunstmatig interferonen produceren voor gebruik als voorgeschreven geneesmiddelen, en ze zijn ontworpen om een antivirale reactie na te bootsen.

Misselijkheid
Drang om te braken.

Monotherapie
Behandeling van een aandoening met één enkel geneesmiddel.

Niet-A, niet-B hepatitis
De naam voor hepatitis C vóór de ontdekking van het hepatitis C-virus in 1989. 

Niet-invasieve tests
Medische procedures waarbij er niet door de huid of een lichaam gesneden wordt.

Niet-responders
Patiënten die behandelingen voor hepatitis C hebben gekregen, maar bij wie er geen vermindering van de virale belasting werd bereikt.

Oedeem
Zwelling door vochtophoping.

Ontsteking
Een complexe immuunreactie door lichaamsweefsels, die gewoonlijk optreedt als reactie op mogelijk schadelijke prikkels zoals bacteriën en virussen.   Ontsteking kan leiden tot een hogere doorbloeding van de getroffen plaats, vochtophoping (zwelling) en zenuwprikkeling die pijn veroorzaakt.

Polymeraseketenreactie (PCR, Polymerase chain reaction)
Een methode om de aanwezigheid te testen van specifiek genetisch materiaal, zoals RNA van hepatitis C-virus. De methode kan ook gebruikt worden om genetische sequenties te bepalen (bijvoorbeeld, genotypering) en ook het aantal kopieën te bepalen van een genetische sequentie in een monster (bijvoorbeeld, virale belasting).

Responders (partiële)
Patiënten die een behandeling hebben gekregen voor hepatitis C en een detecteerbare vermindering in de virale belasting hebben bereikt, maar die geen SVR bereikten.

Respons (aanhoudende virologische) (Sustained virological response, SVR)
Ondetecteerbaar RNA van hepatitis C-virus aan het einde van een volledige behandelingskuur en na nog eens zes maanden. 

Respons (snelle virologische)
Ondetecteerbaar RNA van hepatitis C-virus in het bloed na 4 opeenvolgende weken behandeling.

Respons (vroege virologische)
Een 100-voudige daling in virale belasting na 12 opeenvolgende weken behandeling.

Ribavirine
Een antiviraal geneesmiddel met bewezen activiteit tegen een aantal verschillende virussen, waaronder hepatitis C. 

RNA
Ribonucleïnezuur (RNA) is het genetische materiaal van het hepatitis C-virus.  

Spataderbloeding
Mogelijk ernstige bloeding uit grote aderen/spataderen in de slokdarm of maag.  Deze spataderen worden gewoonlijk gevormd als gevolg van cirrose, die de bloedstroom van het spijsverteringsstelsel naar de lever blokkeert (portaal systeem). Naarmate de druk in het portale systeem stijgt, vormen er zich nieuwe aderen /slagaderen om de obstructie in de lever te omzeilen.

SVR: aanhoudende virologische respons (Sustained virological response, SVR)
Ondetecteerbaar RNA van hepatitis C-virus aan het einde van een volledige behandelingskuur en na nog eens zes maanden. 

Terugval
Als de virusconcentratie opnieuw stijgt bij patiënten een volledige behandelingskuur hebben gekregen tegen hepatitis C en bij wie het virus verdwenen is tot ondetecteerbare concentraties. 

Transaminasen
Belangrijke enzymen voor de productie van aminozuren en het glucosemetabolisme.

Vaccin
Gebruikt om immuniteit op te wekken of te verbeteren tegen een bepaalde aandoening. 

Vermoeidheid
Extreme vermoeidheid.

Vetlever
Ontwikkeling van overtollig vet in de lever. Dit kan ontstaan door aandoeningen zoals suikerziekte, of door een aantal factoren in de levensstijl zoals ongezonde voeding of overmatig alcoholgebruik. Vetlever is ook bekend als ‘steatose’.

Virale belasting
De hoeveelheid genetisch materiaal van een virus in een bloedmonster. De virale belasting wordt bepaald met PCR en voor hepatitis C gewoonlijk uitgedrukt als RNA Internationale Eenheden (IU) per milliliter (bijvoorbeeld, 800.000 IU/ml).  

Virusinactivatie
Het proces waarbij een virus inactief of niet-besmettelijk gemaakt wordt. Technieken gebruikt Om virussen te inactiveren, kunnen de volgende technieken worden gebruikt: solventen, detergenten, zuren en verhitting.