Wanneer u getest wordt op hepatitis C, wordt er eerst bloed afgenomen. Het bloed wordt getest op antilichamen tegen het hepatitis C-virus.
Antilichamen of antistoffen zijn eiwitten van het immuunsysteem. Uw lichaam maakt deze aan als onderdeel van de afweer tegen infectie. Ze helpen bij de vernietiging van ‘vreemde’ moleculen, zoals die van het hepatitis C-virus. Antilichamen of antistoffen die specifiek gericht zijn tegen het hepatitis C-virus worden alleen gemaakt wanneer het hepatitis C-virus aanwezig is. Als deze dus in uw bloed gevonden worden, betekent dit dat u op een bepaald tijdstip in contact geweest bent met het hepatitis C-virus. De aanwezigheid van antilichamen betekent echter niet noodzakelijk dat u het virus nog steeds in uw bloed hebt.
De extra definitieve test meet de werkelijke hoeveelheid genetisch materiaal, RNA van het hepatitis C-virus, gewoonlijk door een techniek die polymeraseketenreactie (polymerase chain reaction, PCR) genoemd wordt, of een variant ervan. De test wordt daarom over het algemeen PCR-test genoemd.
De hepatitis C-tests zijn aanbevolen voor de volgende mensen:
*Uit de praktijkrichtlijnen van de American Association for the Study of Liver Diseases (AASLD)
In sommige gevallen kan het ook aanbevolen zijn om specifieke risicopopulaties te testen, zoals gevangenen of mensen geboren in of afkomstig uit sterk endemische gebieden. Naast de bevestiging van de aanwezigheid van antilichamen en RNA, kan de arts ook vragen om uw bloed te testen op transaminasen. Transaminasen (ALAT, ASAT) zijn enzymen die vrijkomen uit de levercellen als de lever ontstoken is. Hoge concentraties van de transaminasen wijzen op een ontsteking van de lever. De stijging in de transaminasespiegel correleert echter niet rechtstreeks met de mate van leverschade.